Koffiebonen

Arabica bonen

Van oorsprong komt Arabica-koffie uit het Ethiopisch Massief. Van daaruit werd hij naar de Arabische landen verspreid. Het is een tetraploïde en zelffertiele plant, die ongesnoeid ongeveer 5 m hoog kan worden. In 1690 werd de plant, waarschijnlijk afkomstig uit Jemen, door de Nederlanders ingevoerd op Java en in 1699 opnieuw. In 1708 werd vanuit Java een plant die bloeide en bessen gaf, overgebracht naar de Hortus Botanicus Amsterdam. In 1715 stuurde de toenmalige burgemeester van Amsterdam nazaten van deze plant naar koning Lodewijk XIV in Parijs, die daar verder werden verzorgd door Jussieu. Ook werden er in 1718 planten vanuit Amsterdam verstuurd naar Suriname van waaruit ze in 1722 door de Fransen werden verspreid over Frans-Guyana. Vanuit Frans-Guyana vond in 1727 verdere verspreiding plaats naar Brazilië. Nakomelingen van de Parijse plant kwamen rond 1720 in Martinique terecht en van daaruit in 1730 op Jamaica.

De Arabica-koffie is vanuit deze introducties verder verspreid naar het Caraïbische gebied, Centraal-Amerika en Zuid-Amerika. Aan het eind van de zeventiende eeuw werd de Arabica-koffie ook ingevoerd in India en Ceylon. In 1740 kwamen Amsterdamse nakomelingen op de Filipijnen en in 1825 op Hawaï terecht. De Fransen namen de plant mee naar hun Afrikaanse kolonies. Ook is via de Edinburgse Botanische Tuin een nakomeling van de Amsterdamse plant in 1878 in Nyasaland terecht gekomen, van waaruit zij omstreeks 1900 verder naar Oeganda werd verspreid.

Brazilië en Colombia zijn de belangrijkste producenten van Arabica-koffie. Daarnaast zijn Mexico, El Salvador, Guatemala en Costa Rica belangrijke koffieproducenten.

Robusta bonen

Robusta-koffie groeide van oorsprong in Afrika rondom de evenaar tussen 10° Noord- en Zuiderbreedte van de Westkust tot Oeganda. Bij een natuurlijke groei wordt een kleine boom gevormd. Voor de teelt van de bonen wordt er echter sterk gesnoeid om de boom meer in een struikvorm te krijgen en te houden.

Robusta-koffie is goedkoper te produceren dan arabica. Deze koffie wordt veel gebruikt voor het maken van koffiepoeder. De bonen bevatten 2 - 2,5 % cafeïne. De Baganda en andere Oegandese stammen teelden koffie lang voor de ontdekking door Europese ontdekkingsreizigers en gebruikten de koffiebonen om op te kauwen. Ook werden de bessen gekookt en gedroogd. Daarnaast werden de twee bonen uit een bes gebruikt voor de ceremonie van bloedbroederschap.

In 1900 stuurde Linden vanuit Brussel 150 planten naar Java. De planten bleken daar zeer goed te groeien en resistent te zijn tegen Hemileia vastatrix en al snel breidde de koffieteelt met Robusta-aanplant zich sterk uit op Java. Sinds 1900 is de Robustakoffie over de hele wereld verspreid; belangrijke teeltgebieden liggen nu in tropisch Afrika en Azië. Belangrijke productiegebieden zijn Ivoorkust, Angola, Oeganda, Congo, Madagaskar, Vietnam en Indonesië.